’Deadly medicines and organised crime’, de farmaceutische industrie andermaal in diskrediet

PublicatieNr. 12 - 8 januari 2015
Jaargang48
RubriekBoekenplank
Auteurdrs C.J. Overdijk
Pagina's142-143

Voor degene die verwacht dat het er in de farmaceutische industrie anders aan toe gaat dan in de wapenindustrie of in het bankwezen, verscheen ’Deadly medicines and organised crime’ met ondertitel ’How big pharma has corrupted healthcare’.1 De auteur Peter C. Gøtzsche was een aantal jaren werkzaam in de farmaceutische industrie, internist in ziekenhuizen in Kopenhagen, en vanaf 2010 hoogleraar ’Clinical research design and analysis’ aan de universiteit van Kopenhagen. Gøtzsche is medeoprichter van de Cochrane Collaboration in 1993 en initiatiefnemer van het Nordic Cochrane Centre. Twee redacteuren van toonaangevende internationale medische tijdschriften, het British Medical Journal en het Journal of the American Medical Association onderstrepen het belang van dit boek met twee voorwoorden. Eerder verschenen kritische boeken over dit onderwerp van auteurs uit de geneeskunde en journalistiek.2-5
Dit boek gaat over wat er mis is in deze industrie. Het gaat niet over waardevolle geneesmiddelen die vanaf het laatste deel van de 19e eeuw mede door de farmaceutische industrie zijn ontwikkeld. Met name de zogenoemde Big Ten, de top 10 van grote farmaceutische multinationals, worden onderworpen aan een streng requisitoir. Deze giganten zijn beeldbepalend voor de farmaceutische industrie. Een industrie die zegt maatschappelijke betrokkenheid, innovatie, effectiviteit en veiligheid hoog in het vaandel te hebben. In tweeëntwintig hoofdstukken voorzien van veel referenties, ontvouwt de auteur de werkelijkheid van een industrie die aan de top staat van industrieën die zich schuldig maken aan misdadige praktijken op systematische schaal.
Vier hoofdstukken (nr. 3, 10, 17 en 21) vormen het fundament van dit boek. De schrijver schetst de grootschalige wijze waarop de industrie nog steeds onderzoeksresultaten manipuleert, bijwerkingen achterhoudt en verdoezelt, onderzoeksresultaten en ruwe onderzoeksgegevens niet volledig publiceert, onderzoek met positief resultaat selectief publiceert, gekoppeld aan het niet publiceren van onderzoek met een negatieve uitkomst, artsen ’omkoopt’ en beïnvloedt, de postacademische nascholing beïnvloedt, gebruik maakt van ghostwriters, opinieleiders inhuurt, belangenverstrengeling heeft met registratieautoriteiten, grootschalige en misleidende marketingstrategieën uitvoert, fondsen verstrekt aan patiëntenorganisaties in ruil voor productpromotie, en medische tijdschriften misleidt. De enorme winst laat toe dat de industrie al op voorhand miljarden euro’s in het budget kan reserveren voor de boetes die zij krijgt opgelegd. Omdat de omvang van deze wantoestanden zo omvangrijk en gevarieerd is en zich blijft herhalen, stelt de auteur dat dit kennelijk welbewust wordt gedaan: misdaad loont.
Geneesmiddelen vormen de derde doodsoorzaak na hart- en vaatziekten en kanker. Hoofdstuk 3. Gøtzsche geeft aan dat innovatie al geruime tijd geen prioriteit meer heeft bij de industrie. De farmaceutische industrie richt zich bij uitstek op de winst voor de aandeelhouders. Hiervoor hanteert de industrie buitenproportionele verkoopstrategieën en produceert het kaskrakers: de me too’s en blockbusters. De bestaande ruimhartige patentregeling die berust op het principe van intellectueel eigendom en commercieel belang is nodig aan herziening toe zodat de patentperiode kan worden verkort dan wel afgeschaft. Onderzoeks- en ontwikkelingskosten staan in geen verhouding tot de torenhoge marketingbedragen en de salarisposten. Voor de ontsporing van de farmaceutische industrie dragen de medische beroepsgroep, academische instituten en registratieautoriteiten medeverantwoordelijkheid.
Tekortschietende controle door registratieautoriteiten. De auteur onderwerpt in een uitgebreid hoofdstuk 10 de instituten van het publieke domein, verantwoordelijk voor de toelating van geneesmiddelen en voor de veiligheid van patiënten, aan een kritische analyse. Het publiek mag en moet van deze autoriteiten verwachten dat zij garant staan voor de volksgezondheidsbelangen. Dit zou zowel een strikt inhoudelijke als financiële onafhankelijkheid van de registratieautoriteiten moeten betekenen. Niets blijkt echter minder waar. In 2005 concludeerde de ’Health Committee’ van het Britse Lagerhuis, ’House of Commons’, in haar onderzoeksrapport over de farmaceutische industrie dat de controlerende registratieautoriteit als hoeder van de volksgezondheid incompetent is.
Gøtzsche legt nauwkeurig de wereldwijd voorkomende belangenverstrengeling, zelfs corruptie, bloot van registratieautoriteiten met de farmaceutische industrie. Er bestaat een cultuur van nauwe vriendschappelijke banden tussen de registratieautoriteiten en de industrie. Registratieautoriteiten functioneren veelal autonoom, zonder voldoende toezicht van de politiek, de opdrachtgever.
In de hoofdstukken 17 en 18 beschrijft de auteur de nauwe banden die de industrie met name met de beroepsgroep psychiatrie heeft en die hebben geleid tot omvangrijke belangenverstrengelingen. Voor de enorme afzet van psychofarmaca in de kinder- en adolescentenpsychiatrie, waaronder de selectieve serotonine-heropnameremmers (SSRI’s) en de nieuwe generaties antipsychotica, maakt de industrie dankbaar gebruik van de op symptomen gebaseerde diagnostiek in de psychiatrie die de grens tussen pathologie en normaliteit rekbaar en vloeiend maakt. De vijfde editie van de ’Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’ (DSM-5) vormt hiervoor het referentiekader. De auteur schetst hoe industrie en psychiatrie een scala aan moderne nieuwe ziektebeelden creëren (angststoornissen, premenstruele dysforische stoornis, autismespectrumstoornissen) met daarvoor aangeprezen langdurig te gebruiken geneesmiddelen. De, soms ernstige, bijwerkingen van psychofarmaca worden door de fabrikanten onvoldoende belicht.
In hoofdstuk 21 bespreekt Gøtzsche ten slotte gedetailleerd de stappen die nodig zijn om ten eerste het systematische falen van de farmaceutische industrie een halt toe te roepen en ten tweede om een cultuuromslag in het gezondheidszorgstelsel te bewerkstelligen. Hieronder volgen vier speerpunten.

Klinisch geneesmiddelenonderzoek. Dit fase III-onderzoek dient te worden uitgevoerd door en onder regie van de publieke sector. Academies garanderen onafhankelijkheid. Financiering geschiedt door middel van belastinggeld, betaald door de industrie (bv. 2% van de geneesmiddelenprijs) en door fondsen van overheid en ziekenhuizen.
Veiligheid. Openbaarheid van alle onderzoeksgegevens, zowel de ruwe gegevens als de positieve en negatieve onderzoeksresultaten. Dat geldt ook voor alle bijwerkingen en risico’s.
Registratieautoriteiten. Inhoudelijke en financiële onafhankelijkheid dienen te zijn gewaarborgd. De overheid draagt zorg voor een toezichthouder. Belangenverstrengeling van medewerkers met de industrie is niet toegestaan. Alle onderzoekgegevens dienen openbaar toegankelijk te zijn en aan iedereen ter beschikking worden gesteld.
De marketing moet sterk worden ingeperkt. Veilige en werkzame geneesmiddelen behoeven geen reclame. Onderzoekpublicaties, onafhankelijke geneesmiddeleninformatie en onafhankelijk postacademisch onderwijs voorzien ruimschoots in de behoefte aan kennis over werking, bijwerkingen en risico’s van geneesmiddelen.

Dit boek kan een aanzet geven tot meer besef bij de farmaceutische industrie, de overheid, de politiek en de medische beroepsgroep van de noodzaak tot een cultuuromslag. De farmaceutische industrie moet wetenschappelijke integriteit en patiëntbetrokkenheid centraal stellen en de winst in overeenstemming brengen met een maatschappelijk verantwoorde bedrijfsvoering.
Peter Gøtzsche schrijft geen sciencefiction, maar beschrijft de werkelijkheid. Deskundigheid en betrokkenheid van een goed ingevoerde wetenschapper staan garant voor de authenticiteit van dit opmerkelijk kritische boek.

 


Literatuurreferenties
1.
Gøtzsche PC. Deadly medicines and organised crime. London: Radcliffe, 2013.
2. Angell M. The truth about the drug companies. New York: Random House, 2004.
3. Avorn J. Powerfull medicines, the benefits, risks en costs of prescription drugs. New York: Vintage Books, 2005.
4. Bouma J. Slikken. Hoe ziek is de farmaceutische industrie? Amsterdam: Veen, 2006.
5. Goldacre B. Bad Pharma. London: Fourth Estate, 2012.