Effecten van FTO

PublicatieNr. 4 - 1 april 1998
Jaargang32
RubriekFTO
Pagina's52-53

Het is interessant te weten of het voorschrijfgedrag van huisartsen verandert nadat hierover in het FTO afspraken zijn gemaakt. Een recent onderzoek hield zich met deze vraag bezig.1 Daartoe is in de verslagen van 25 FTO-groepen nagegaan, welke afspraken over het voorschrijven bij bepaalde aandoeningen werden gemaakt. Vervolgens werden de voorschrijfcijfers van de deelnemende huisartsen vergeleken met een controlegroep van huisartsen die niet aan dat FTO deelnamen. Dit gebeurde in de desbetreffende apotheken door middel van het AFTO-programma. Die vergelijking werd gecompleteerd door interviews met een huisarts en een apotheker van elke FTO-groep. De FTO-verslagen lieten een grote variëteit aan onderwerpen zien. Bij veel onderwerpen was het effect van de bijeenkomsten niet direct meetbaar via een analyse van de apotheekgegevens. Voorbeelden hiervan zijn de klinische relevantie van geneesmiddelinteracties, het afstemmen van de voorlichting tussen arts en apotheek, en de behandeling van hypertensie bij verschillende vormen van co-morbiditeit. Van andere FTO-bijeenkomsten kon echter wel een effectmeting worden gedaan.

   


Uit de tabel blijkt dat de effectiviteit van FTO verschilt per onderwerp. Er is geen duidelijk verband met de grootte van de geneesmiddelengroep. Wel blijkt duidelijk dat FTO geen effect heeft wanneer geen consensus werd bereikt. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de dosering van een stootkuur prednison. Het verslag van de desbetreffende FTO-bijeenkomst bevat daarvoor drie verschillende schema's, zonder dat een voorkeur voor één daarvan wordt uitgesproken. Ongeveer hetzelfde was het geval bij de behandeling van constitutioneel eczeem. Het FTO-verslag beschrijft dat de theorie aanbeveelt om daarbij met een indifferente therapie te starten, om pas bij onvoldoende effect een corticosteroïde van klasse 1 te proberen, vervolgens een van klasse 2, enzovoort. De huisartsen kiezen er volgens het verslag echter voor om 'te beginnen met een sterker corticosteroïde en dan af te bouwen'. Dat de gegeven adviezen dus niet zullen worden opgevolgd, blijkt vervolgens uit de cijfers.
Bij de analyse van de resultaten kon vaak al van tevoren worden aangegeven of er al dan niet een effect van het FTO te verwachten was. Zo is het bij kleine aantallen patiënten vrij moeilijk om effect aan te tonen. Voorts valt er weinig te verbeteren bij FTO-afspraken die overeenkomen met het bestaande voorschrijfgedrag. Daarnaast kan het bij een chronische behandeling lastig zijn om het voorschrijfgedrag te veranderen, omdat de patiënt de desbetreffende medicatie vaak al jaren slikt. Opvallend is daarom de effectiviteit van het FTO over reumatoïde artritis, waarbij de voorkeur werd uitgesproken voor een drietal NSAID's. Hoewel al 85% van de kleine patiëntengroep met deze chronische aandoening de desbetreffende NSAID's kreeg voorgeschreven, had het FTO niettemin een klein, maar significant effect. Waarschijnlijk werd dat effect bevorderd doordat de apotheker, op verzoek van de huisartsen, na het FTO lijsten uit de computer uitdraaide van patiënten die in aanmerking kwamen voor een andere farmacotherapie. Bovendien stuurde deze apotheker van elk recept dat niet conform de FTO-afspraak was, een kopie retour naar de voorschrijver. Deze voortdurende terugkoppeling, zonder de dagelijkse routine te verstoren, werd door de geïnterviewde huisarts en apotheker ervaren als educatief, en niet als betuttelend.
Het voorschrijven van antidepressiva werd door één FTO-groep behandeld en daarover werden drie afspraken gemaakt. De tricyclische antidepressiva kregen de voorkeur boven de serotonine-heropnameremmers en in beide groepen werd voor één middel een voorkeur uitgesproken. Omdat uit de prescriptiecijfers bleek dat ook voorafgaand aan het FTO al een voorkeur voor de tricyclische middelen bestond, viel hierin – mede gezien het type aandoening – weinig verandering te verwachten. Wel nam na het FTO de verscheidenheid aan voorgeschreven middelen per geneesmiddelengroep af.
Van de FTO-bijeenkomsten die niet effectief waren, vallen er twee op: die over fluticason en over osteoporose. Van fluticason werd in het FTO opgemerkt dat het middel duur is en niets toevoegt aan de behandeling van volwassenen. Dat hierna het aantal voorschriften toch toenam, was volgens de geïnterviewden te wijten aan de bijzonder agressieve marketing door de fabrikant. Wat de osteoporose betreft, werd in het FTO aanbevolen om meer vrouwen preventief medicamenteus te gaan behandelen. Het aantal vrouwen ouder dan 45 jaar met hormoonsubstitutie, nam hierna echter niet toe.
De aantallen in dit onderzoek naar de effectiviteit van FTO waren te klein om de gevonden effecten te verklaren door bepaalde kenmerken van de FTO-groep, zoals de gebruikte methode, het aantal deelnemers en de frequentie van de bijeenkomsten. Toch valt een aantal zaken op. Zo werden er, hoewel daarvan weinig effect te verwachten viel, geregeld afspraken gemaakt of conclusies getrokken die vrijwel overeenkwamen met de huidige voorschrijfpraktijk. Het FTO kan dan worden gezien als een opfrissing van het geheugen, als een herhaling van een eerdere scholing, of als tegenpool van de marketing door de farmaceutische industrie. Dat laatste kan juist de reden vormen om een bepaald onderwerp op de FTO-agenda te zetten. Wil een FTO-groep in dergelijke gevallen toch veranderingen in het voorschrijven bewerkstelligen, dan lijkt dat alleen mogelijk door zeer gericht te interveniëren, bijvoorbeeld door exact aan te geven bij welke patiënten dat zou kunnen gebeuren.
 In andere gevallen werd er in het FTO gesproken over onderwerpen waarbij de gevormde consensus wel duidelijk afweek van het voorafgaande voorschrijfgedrag. Wanneer de adviezen dan eenduidig waren, de aangeraden veranderingen klein, en er duidelijke voorkeuren werden uitgesproken, dan was dit in het algemeen effectief, of bestond er op zijn minst een trend naar effect.

Wanneer er echter geen consensus werd bereikt, had het FTO ook geen effect. Dat is niet verbazingwekkend, maar stemt wel tot nadenken. De reden om een onderwerp in het FTO te bespreken is immers vaak juist dat het voorschrijfgedrag voor verbetering vatbaar is. Indien de FTO-adviezen echter te ver afstaan van de praktijk, dan blijken ze niet te worden opgevolgd. Het is dus noodzakelijk om dergelijke grote veranderingen stapsgewijs in te voeren, en om met het FTO niet te ambitieus te zijn. Ten slotte is het van belang om op een of andere wijze een vervolg aan het FTO-onderwerp te geven.


Literatuurreferenties

1. Effecten van FTO. In: Vries CS de, Jong-van den Berg LTW de (red.). Groningen: Rijksuniversiteit, afdeling Farmacie, Werkgroep Sociale Farmacie en Farmaco-epidemiologie, 1997.

Lees de uitgave waar dit artikel in staat als PDF