Polyfarmacie bij ouderen

PublicatieNr. 7 - 1 juli 1998
Jaargang32
RubriekFTO
Pagina's87-88

Bijna 30% van de ouderen boven de 74 jaar gebruikt meer dan vier geneesmiddelen. Hoe hoger het aantal geneesmiddelen, hoe groter het risico van bijwerkingen en interacties. Zo wordt naar schatting 15% van de ziekenhuisopnamen van ouderen veroorzaakt door bijwerkingen. Het farmacotherapie-overleg (FTO) is bij uitstek de plaats om polyfarmacie bij ouderen te bespreken. Het onderwerp is echter zo breed, dat afbakening nodig is. De Stichting DGV ontwikkelde daartoe nieuw FTO-materiaal.
Om te beginnen zijn er twee brochures uitgebracht die inzicht geven in de aard en de omvang van het probleem van ongewenste polyfarmacie. ‘Gerontofarmacotherapie’ bevat inhoudelijke informatie over polyfarmacie bij ouderen, en over de fysiologie van het verouderingsproces in relatie tot geneesmiddelengebruik. ‘Cijfers’ behandelt vragen over polyfarmacie bij ouderen, die heel goed met voorschrijfcijfers kunnen worden beantwoord.
Voorts zijn er drie werkboeken verschenen met kennistoetsen, overzichten, invulschema’s, casussen en checklists. Het eerste werkboek vormt een nadere oriëntatie op het onderwerp. Het tweede bevat voorbeeldprogramma’s voor FTO, bedoeld om tot onderlinge afspraken in preventieve zin te komen. Hierbij gaat het om aanpassingen van het voorschrijfbeleid, om afstemming van het medicatiebewakingsbeleid en om afspraken over patiëntenvoorlichting. Voorbeelden van dergelijke afspraken zijn:
– Bij een welbewust voorgeschreven geneesmiddelencombinatie die tot een interactie leidt, schrijft de huisarts ‘interactie gezien’ op het recept. Ontbreekt die vermelding, dan neemt de apotheker contact op, zodat zo nodig kan worden ingegrepen.
– De apotheker selecteert alle patiënten van 70 jaar en ouder, die furosemide en digoxine gebruiken. De huisarts controleert of de indicaties en doseringen nog juist zijn. Zo niet, dan volgen bij het eerstkomende herhalingsrecept een gesprek daarover met de praktijkassistente en een afspraak met de huisarts.
– De apotheker stelt een lijst samen van langdurige gebruikers van NSAID’s. De huisarts gaat na of het gebruik nog steeds geïndiceerd is, en neemt zo nodig contact op met de patiënt.
Bij deze interventies vormt het overleg met de voorschrijvende specialisten steeds een apart aandachtspunt. Ook de praktijk- en apotheekassistenten, alsmede de patiënten die recht hebben op goede voorlichting, worden hierbij niet vergeten.
Het derde werkboek beschrijft het maken van een gezamenlijk plan om te interveniëren in ongewenste medicatieprofielen van ouderen. Zo’n plan kan bijvoorbeeld zijn gericht op het verminderen van bepaalde combinaties van geneesmiddelen, zoals NSAID’s en diuretica, of op het heroverwegen van de medicatie van alle ouderen die meer dan vijf middelen gebruiken. In elk van de drie werkboeken wordt apart aandacht besteed aan het voorschrijven, het afleveren en de patiëntenvoorlichting.


Literatuurreferenties

De brochures ‘Gerontofarmacotherapie’ en ‘Cijfers’ en de FTO-werkboeken ‘Oriëntatie’, ‘Preventie’ en ‘Interventie’ zijn gratis verkrijgbaar bij de (FTO-adviseurs van) de Stichting DGV (postbus 3089, 3502 GB Utrecht; tel: 030-2916216) en bij de FTO-coördinatoren van de LHV en de KNMP.

 

Lees de uitgave waar dit artikel in staat als PDF