Tien mythen over de farmaceutische industrie: Mythe 8

PublicatieNr. 9 - 8 oktober 2015
Jaargang49
RubriekPromotionele activiteiten
Pagina's107

In Gebu 2014; 48: 142-143 is aandacht besteed aan het boek ’Deadly medicines and organised crime’ van de Deense internist en hoogleraar Peter Gøtzsche.1 In één van de laatste hoofdstukken bespreekt de auteur de mythen die de industrie zo vaak herhaalt dat veel artsen, apothekers, politici en het algemene publiek ze zijn gaan geloven. Deze mythen vormen volgens de auteur een belemmering om tot een rationeel gezondheidszorgsysteem te komen. De naar het oordeel van de auteur belangrijkste tien mythen worden in het bulletin nader besproken. Thans komt nummer 8 aan bod

8. We hebben vele geneesmiddelen van hetzelfde type nodig omdat de reacties van patiënten sterk uiteenlopen.

frits_mythe8Gøtzsche geeft aan dat hij deze mythe vaak heeft gehoord van artsen die hebben geluisterd naar de verkooppraatjes van artsenbezoekers. Volgens de auteur kan het in zeldzame gevallen waar zijn, maar hij heeft geen overtuigende wetenschappelijke gegevens gezien die het bevestigen en de artsen die het wel beweren, hebben zich volgens hem niet afgevraagd of deze verhalen waar zijn. Eén van de onderzoeken die worden aangehaald als bewijs voor het feit dat patiënten verschillend reageren op geneesmiddelen betrof een gekruist onderzoek waarin patiënten met reumatoïde artritis vier verschillende geneesmiddelen gedurende enkele weken gebruikten en konden aangeven aan welke periode zij de voorkeur gaven.2 Een dergelijk onderzoek bewijst uiteraard niets aangezien de ernst van de pijn bij reumatoïde artritis fluctueert. Om er zeker van te zijn dat de voorkeuren van de patiënten geen ruis of een toevallige bevinding zijn, zouden dezelfde patiënten meerdere keren moeten worden blootgesteld aan dezelfde geneesmiddelen.

Mythe 8 zou moeten worden geformuleerd als:

8. We hebben slechts enkele geneesmiddelen uit eenzelfde groep nodig omdat een verschil in werkzaamheid en bijwerkingen tussen deze middelen nauwelijks is onderbouwd en niet uiteenloopt.

Plaatsbepaling

Van nogal wat geneesmiddelengroepen zijn veel vertegenwoordigers in de handel. Deze kunnen meestal worden beschouwd als me too’s ofwel geneesmiddelen die chemisch vrijwel identiek zijn aan het eerste middel uit een bepaalde groep maar alleen verschillen in één of meerdere chemische subgroepen. Zo zijn er inmiddels tien of meer β-blokkers, ACE-remmers en antihistaminica in de handel.3 Hierbij is werkzaamheid wel aangetoond, maar niet dat deze middelen anders en bij verschillende groepen patiënten werkzaam zijn.

Anders is het gesteld met psychofarmaca. Hiervan zijn inmiddels 20 antidepressiva, meer dan 20 antipsychotica en meer dan 20 benzodiazepinen in de handel, en ook hiervoor geldt dat niet is aangetoond dat ze anders en bij verschillende patiëntengroepen werkzaam zijn. Daarnaast geldt echter dat de werkzaamheid van deze middelen nauwelijks is aangetoond en ze slechts bij een zeer kleine groep patiënten werkzaam zijn. Vergelijkend onderzoek tussen de vele vertegenwoordigers uit een groep met behulp van gerandomiseerd dubbelblind onderzoek in adequate en equipotente doseringen gedurende een voldoende lange periode is vrijwel niet verricht.

Diverse malen is in het Geneesmiddelenbulletin aangegeven dat het ontwikkelen en op de markt brengen van me too’s een enorme verspilling is van menselijk talent van de onderzoekers binnen de farmaceutische industrie en van geld.

Litertatuurreferenties

  1. Gøtzsche PC. Deadly medicines and organised crime. London: Radcliffe, 2013.
  2. Huskinson EC, et al. Four new anti-inflammatory drugs: responses and variations. BMJ 1976; 1 (6017): 1048-1049.
  3. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2015.