Verschuiving macrolidengebruik bij kinderen

PublicatieNr. 11 - 1 november 1997
Jaargang31
RubriekFTO
Pagina's133

FTO-groep Bergenbroek (6 huisartsen, 1 apotheek) heeft een bijeenkomst gepland als vervolg op de Kinderweek in de apotheek. De voorbereiders, een huisarts en de apotheker, kiezen de nieuwe antibiotica als onderwerp. Ze maken gebruik van het hoofdartikel over macroliden uit Gebu 1995; 29: 1-4, de NHG-Standaarden en de NHG-uitgave Farmacotherapie voor de huisarts. Hierin wordt beargumenteerd dat er geen doorslaggevende redenen zijn om erytromycine te vervangen. Bij onzekerheid over de bijwerkingen van recenter geïntroduceerde middelen, is het vooral bij kinderen en zwangeren, veilig als eerste keuze erytromycine voor te schrijven.
Landelijke gegevens van de Ziekenfondsraad (GIP-cijfers 1995) wijzen echter uit, dat met name bij kinderen van 0 tot 15 jaar het aantal DDD's macroliden tussen 1993 en 1995 met 47% toenam. Het is daarom interessant het voorschrijfgedrag van de huisartsen in de FTO-groep onder de loep te nemen. Door prescriptieterugkoppeling en het bespreken van ongewenste nieuwe voorschriften zou het voorschrijfgedrag in een vroeg stadium kunnen worden bijgesteld. De huisarts heeft via een FTO-adviseur van de Stichting DGV materiaal over kindermedicatie ontvangen, waarmee een FTO-bijeenkomst gemakkelijk in elkaar te zetten is. De huisarts vraagt aan de apotheker om voor het FTO de prescriptiecijfers op een rij te zetten.

AFTO-cijfers. Met het AFTO-computerprogramma maakt de apotheker een overzicht van het absolute aantal voorschriften voor de vier macroliden afzonderlijk: erytromycine, roxitromycine, claritromycine en azitromycine. Vervolgens worden deze getallen in een stapeldiagram uitgedrukt als percentage van het totale aantal macrolidenvoorschriften per huisarts.
Besloten is om twee perioden met elkaar te vergelijken: oktober 1994 tot en met maart 1995 en oktober 1995 tot en met maart 1996. Hierbij gaat het in totaal om 3.200 kinderen van 0-15 jaar.

De bespreking. Na een inleiding door de huisarts, vraagt de apotheker aan de deelnemers om eerst een schatting te maken van het percentage van de vier macroliden in de eigen praktijk. Dan worden de cijfers gepresenteerd (zie figuur).
Hoewel het absolute aantal voorschriften macroliden gering is, namelijk 37 in het eerste en 77 in het tweede halfjaar, blijkt dat het aandeel van de nieuwe macroliden (roxi-, clari- en azitromycine) na een jaar is gestegen van 19% naar 39%. Verder valt op dat de verschillen per huisarts groot zijn. De groep bespreekt vervolgens de voor- en nadelen van het gebruik van de nieuwe macroliden door kinderen uit de eigen praktijk.

Conclusies. Na een korte discussie over gebruiksgemak, bijwerkingen en prijs luidt de conclusie dat de veiligheid van de nieuwe macroliden op de lange termijn, zeker voor kinderen, niet volledig is onderzocht. De groep vindt dit de belangrijkste reden om terughoudend te zijn bij het voorschrijven ervan. Huisarts 2 en 4 nemen zich voor om bij kinderen minder snel een antibioticum voor te schrijven. Mocht een macrolide nodig zijn, dan zullen zij de eerste keus van de groep aanhouden, namelijk erytromycine. De groep streeft ernaar dat in het vervolg maximaal 30% van alle macrolidenvoorschriften voor kinderen een nieuw macrolide betreft. Dit getal komt enigszins willekeurig tot stand, maar het maakt de afspraak evalueerbaar en geeft richting aan het besluit en de uitvoering. De huisartsen zijn zich er nu meer van bewust dat ook bij het voorschrijven aan kinderen nieuwe middelen te snel in de pen kunnen komen. Over een jaar zal de apotheker nog eens een overzicht maken en die aan het FTO voorleggen.

NB. Op donderdag 29 januari 1998 organiseert de Stichting DGV in Ede een werkconferentie over prescriptieterugkoppeling, bedoeld voor huisartsen, apothekers en beleidsmakers. Accreditatie als bijscholing is verkregen (LHV) en aangevraagd (KNMP). Informatie en inschrijving: Stichting DGV (mw Ruth The) 030-2916216



Lees de uitgave waar dit artikel in staat als PDF