Werkzaamheid en effectiviteit van influenzavaccinatie

PublicatieNr. 8 - 31 augustus 2017
Jaargang51
RubriekOpnieuw bezien
AuteurDr A. Kerremans
Pagina's75

In oktober 2011 publiceerde het Geneesmiddelenbulletin (Gebu 2011; 45: 109-117) een spraakmakend hoofdartikel met de titel Werkzaamheid en effectiviteit van influenzavaccinatie.

Onderzoek. Een recent onderzoeksverslag van een door de industrie gesponsord onderzoek met een nieuw recombinant quadrivalent influenzavaccin geeft (semi) kwantitatieve gegevens over de werkzaamheid en effectiviteit van influenzavaccinatie, helaas niet over daardoor vermeden complicaties.2

In het influenzaseizoen 2014/2015 testten onderzoekers in de Verenigde Staten een nieuw recombinant influenzavaccin in vergelijking met het standaardvaccin voor dat jaar. Dit was een op kippeneieren gemaakt quadrivalent vaccin volgens de specificaties van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor dat seizoen. Dat seizoen bleek achteraf een mismatch tussen de geadviseerde samenstelling en de feitelijk aanwezige influenzavirussen (vooral A/H3N2). Het ‘Centers for Disease Control and Prevention’ (CDC) berekende achteraf een vaccineffectiviteit van 27-36% voor het standaard vaccin.

Bijna 9.000 vijftigplussers (50-96 jr., 12% was ouder dan 75 jr.) kregen dubbelblind  gerandomiseerd ofwel het nieuwe vaccin  (R IV 4) of het standaard vaccin (I IV 4). Bij griepachtige klachten moest men zich melden en werd onderzocht of sprake was van influenza en welk type (RT-PCR assay en kweek van neuswat). RT-PCR staat voor reverse-transcriptase polymerase-chain-reaction. Het onderzoek eindigde aan het eind van het griepseizoen. Het primaire eindpunt was een aangetoonde influenza-infectie.
Bespreking. Met de gevonden getallen is een semi-kwantitatief beeld te schetsen van de werkzaamheid van influenzavaccinatie in een slecht jaar (mismatch). Omdat het onderzoek geen placebo-arm mocht hebben, is weinig te zeggen over bijwerkingen (gerapporteerd werden vooral de bekende lokale effecten op de injectieplaats) en afname van influenzacomplicaties.

Van de gevaccineerden rapporteerde ruim 20% in beide groepen influenza-achtige klachten. De viruskweek bevestigde influenza slechts in 2,2% (R IV 4:  96 van 4.303) en 3,2% (I IV 4:  138/4.301) van de totale populatie. Slechts ongeveer één op de tien griepachtige episodes werd dus veroorzaakt door een influenzavirus, waarvoor vaccinatie zou kunnen helpen.

Uitgaande van een vaccineffectiviteit van het standaardvaccin van 27-36% in dat griepseizoen kan worden berekend [100 x (1-RR)] (Gebu 2016; 50: 113) dat in de niet-gevaccineerde Amerikaanse populatie 4,8% echte influenza doormaakte, in de met het standaardvaccin behandelde cohort was dit 3,2% (en in de groep van het recombinant vaccin 2,2%).
Het number needed to vaccinate (NNV) om één geval van influenza te voorkomen is ruim 60. Met het nieuwe vaccin was het NNV dan nog bijna 40.

Van de 9.000 proefpersonen overleden 20 mensen, echter niemand aan influenza. Vier gevaccineerden werden toch opgenomen met de diagnose bewezen influenza (0,04%).

Plaatsbepaling

• Slechts ongeveer één op de tien griepachtige episodes berust op infectie met een influenzavirus.

• In het griepseizoen 2014/2015 kreeg in het beschreven onderzoek1 één op de 20 ongevaccineerde vijftigplussers influenza, van de gevaccineerden was dit één op de 30. Bij een betere match van het vaccin (of een beter vaccin) zal dit laatste getal beter zijn.

• De gegevens komen redelijk overeen met een recente Nederlandse publicatie2  met begeleidend redactioneel commentaar.3

• Moet op dezelfde voet worden doorgegaan bij deze lage vaccineffectiviteit en onzekerheid over het nut op influenzacomplicaties?

Literatuurreferenties

  1. Dunkle LM, et al. Efficacy of recombinant influenza vaccin in adults 50 years of age or older. N Engl J Med. 2017; 376: 2427-2436.
  2. van Doorn E, et al. Effectiviteit van influenzavaccinatie in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd. 2017; 161:  D1648.
  3. Zaat J. Griepvaccinatie als vakantiegeld. Ned Tijdschr Geneeskd. 2017; 161: B1398.