Doel en werkwijze

Doel: Onafhankelijke en objectieve informatie

Het Geneesmiddelenbulletin stelt zich ten doel rationele farmacotherapie te bevorderen. Daartoe verstrekt zij onafhankelijke en objectieve informatie over geneesmiddelen aan allen die deze voorschrijven, afleveren of gebruiken. De belangrijkste activiteit betreft het periodiek uitgeven van het Geneesmiddelenbulletin. De inhoud komt tot stand in samenspraak met deskundigen in het veld.


Werkwijze: Het in de praktijk brengen van ‘Evidence Based Medicine’

De werkwijze van het Geneesmiddelenbulletin

Dr D. Bijl, onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie
Het Geneesmiddelenbulletin is na een hectische periode waarin het bestaansrecht en zelfs de onafhankelijkheid (opnieuw) werden betwist, thans in rustiger vaarwater terecht gekomen. De overgang naar de Domus Medica in Utrecht en de technische samenwerking met het Medisch Contact en de financiële garantie van het ministerie van VWS dragen daaraan bij. Nu een nieuwe periode in gang kan worden gezet, is het goed om opnieuw aandacht te vragen voor de werkwijze van het Geneesmiddelenbulletin (Gebu 2010; 44: 25-29).

Inleiding

De Stichting Geneesmiddelenbulletin geeft een maandblad uit dat is bestemd voor iedereen die genees­mid­delen voorschrijft of aflevert. De inhoud beoogt een bijdrage te leveren aan het bevorderen van rationele farmacotherapie. De bruikbaarheid van het Geneesmiddelenbulletin voor de dagelijkse praktijk, het farmacotherapieoverleg (FTO) en het farmacotherapieonderwijs, staat daarbij voorop. Het streven is om, vooral bij de hoofdartikelen en de be­spreking van nieuwe geneesmiddelen, een zo compleet mogelijk overzicht te geven van alle relevante onderzoeken zodat de lezer hieruit op een transparante wijze conclusies kan trekken. Het Geneesmiddelenbulletin gebruikt deze artikelen als basis voor een ‘Evidence Based Medicine’-benadering. Dit komt de waarde van de verstrekte informa­tie ten goe­de.

Informatie over geneesmiddelen is vooral afkomstig van de farmaceutische industrie. Die geeft in ons land volgens eigen opgave ongeveer 10% van haar budget uit aan activiteiten op het gebied van marketing, zoals advertenties, folders en mailings.1 Daarnaast besteedt men ongeveer 12,5% aan wetenschappelijke informatie en dienstverlening, zoals artsenbezoekers, wetenschappelijke publicaties, con­gressen, leermiddelen en nascholingsactiviteiten.1 Onafhankelijke infor­ma­tie­bronnen, zoals het Farmacotherapeutisch Kompas, Medisch Farmaceutische Mededelingen en het Genees­mid­delenbulletin, streven er naar om voor een fractie van het door com­mer­ciële bronnen bestede bedrag enige objectieve en neutrale informatie daar tegen­over te zetten.

In het kader van de transparantie en controleer­baar­heid is dit artikel gewijd aan de werkwij­ze van het Geneesmiddelenbulletin. Dit is van belang nu het Geneesmiddelenbulletin weer zelfstandig zal voortgaan in een stichtingsvorm. De recente ontwikkelingen zijn aanleiding om nog eens aandacht aan de werkwijze, die al vaststond, te besteden. Na een korte schets van de geschiedenis van het Geneesmiddelenbulletin komen het doel en de uitgangspunten aan de orde. Vervolgens wordt uiteenge­zet wie er bij de productie zijn betrokken en welk redactioneel proces een artikel ondergaat voordat het in druk verschijnt.

Geschiedenis

Het Geneesmiddelenbulletin werd in 1967 voor het eerst uitgegeven vanuit het directoraat Volksgezondheid van het toenmalige Ministerie van Sociale Zaken en Volksge­zondheid. Gezien de dynami­sche ontwikke­lingen op het gebied van de farmacotherapie en het tekortschieten van de destijds beschik­bare objectieve voorlichtings­bronnen, veronderstelde men dat er onder voor­schrijvers behoefte bestond aan onafhankelijke informatie over genees­mid­de­len. Voor het op te richten tijdschrift werden de Ameri­kaan­­se Medical Letter on Drugs and Therapeutics (1959) en het Britse Drug and Therapeutics Bulletin (1962) als voorbeelden geno­men.2 Aanvankelijk bevatte het Geneesmiddelenbulletin veel vertalingen uit deze zusterbladen. Al spoedig ontstond echter behoefte aan artikelen die specifiek van toepassing waren op de Nederlandse situatie. Adviezen om­trent bijvoorbeeld het antibiotica­be­leid in de Verenigde Staten zijn nu eenmaal niet zonder meer geschikt voor ons land.

In 1988 werd het Geneesmiddelenbulletin enige tijd bedreigd met opheffing. Dat was niet vanwege kritiek op de kwaliteit van het blad, maar het gevolg van bezuinigingsoperaties bij de overheid. Door een gezamenlijke actie van vele betrokkenen is dit voorkomen. Het blad werd in 1990 geprivatiseerd en ondergebracht in de zelf­standige Stich­ting Geneesmid­delenbulletin en zo, meldde Gebu 1999; 33: 1-4, ‘…staat het voortbestaan tegenwoordig in het geheel niet meer ter discus­sie’.

In 2003 werd het Geneesmiddelenbulletin echter opnieuw met opheffing bedreigd daar de toenmalige minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) de subsidie met 90% wilde inperken. Massale adhesiebetuigingen via de e-mail, fax en post vanuit de beroepsgroepen van artsen en apothekers hebben de minister duidelijk gemaakt dat dit een zeer ongewenste maatregel zou zijn. Uiteindelijk werd de subsidie met 10% gekort en werd de voorwaarde gesteld dat het Geneesmiddelenbulletin zou worden ondergebracht bij een grotere organisatie. Die organisatie werd het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Van samenwerking met CVZ werden voordelen verwacht die in de afgelopen jaren echter niet werden gerealiseerd. Met name de redactionele onafhankelijkheid van het Geneesmiddelenbulletin bleek moeilijk te combineren met de door CVZ gewenste controle op uitingen die onder zijn verantwoordelijkheid werden gedaan. Juridische procedures van fabrikanten brachten dit haarscherp aan het licht. Daarop is in goed overleg besloten uit elkaar te gaan en heeft het Geneesmiddelenbulletin haar intrek genomen in de Domus Medica in Utrecht waar met het Medisch Contact een technische samenwerking is aangegaan. Inmiddels is opnieuw een Stichting Geneesmiddelenbulletin opgericht. In de overgangsperiode, in 2009, is vanuit het ministerie van VWS nog geprobeerd de doelstelling van het Geneesmiddelenbulletin in te perken tot een mededelingenblad over behandelrichtlijnen. Hiertegen is veel verzet gerezen en ook was er een Kamermeerderheid tegen deze plannen. Daardoor is ook de derde bedreiging van de identiteit en het voortbestaan van het Geneesmiddelenbulletin thans afgewend. Het ministerie van VWS zal als vanouds de belangrijkste financier blijven, zo heeft de minister zeer recent aan de Tweede Kamer laten weten.

Doel en uitgangspunten

Doelstellingen en structuur
De Stichting Geneesmiddelenbulletin heeft als doel het bevorderen van rationele farmacotherapie. Rationele farmacotherapie kan worden beschouwd als een nuttige toepassing van de principes van Evidence Based Medicine. Onder rationele farmacotherapie wordt verstaan: het voorschrijven van het juiste geneesmiddel aan een individuele patiënt of een populatie wanneer dat nodig is volgens een doseringsschema dat overeenkomt met het meest geschikte profiel van werkzaamheid, bijwerkingen en kosten. Om het doel te bereiken verstrekt het Geneesmiddelenbulletin onafhankelijke en objectieve informatie over genees­middelen aan allen die deze voor­schrijven of afleveren.

De Stichting bestaat uit een bestuur, een redactiecommissie, een redactie­bu­reau en een wetenschappelijke advies­raad, elk met een eigen rol in het geheel. Het bestuur houdt zich voornamelijk bezig met de financiële, organisatori­sche en personele zaken. De hoofdredacteur is voorzitter van en tevens lid van de redactiecommissie en is verantwoordelijk voor de inhoud van het bulletin. De redactiecommissie is samengesteld uit minimaal vijf personen: huisartsen, (zieken­huis)apothekers en specialisten. Deze personen zijn lid op persoonlijke titel en spreken niet namens organisaties. De redactiecommissie komt elke maand bijeen om onder meer de lopende publicaties, de artikelenkeuze en het beleid te bespreken. Zij is  medeverantwoordelijk voor de artikelen en plaatsbepalingen. De redactiecommissie wordt terzijde gestaan door de wetenschappelijke adviesraad die tweemaal per jaar gezamenlijk met de redactiecommissie vergadert en is samengesteld uit ten minste tien en ten hoogste 20 personen: voorschrijvende specialisten, (ziekenhuis)­apo­thekers, huisartsen en methodologen. Ook deze personen zijn lid op persoonlijke titel en spreken niet namens organisaties. De wetenschappelijke adviesraad adviseert over de inhoud, het beleid en de keuze van artikelen, en voorziet alle artikelen van com­men­taar. Het voor­bereidende en uitvoerende werk wordt gedaan door het redactie­bureau, dat bestaat uit de hoofdredacteur, een wetenschappelijke redacteur, een tekst­redacteur en/of redactieassistent.

Onafhankelijkheid
De onafhankelijkheid van de informatie kent meer­de­re kanten. Aan de ene kant wil het Geneesmiddelenbulletin een ongewenste beïnvloeding van de inhoud door de farmaceutische industrie zoveel mogelijk voor­ko­men en zelfs de schijn daarvan vermijden. Om die vrijheid te waar­bor­gen, wordt het bulletin niet gefinancierd uit de opbrengst van adver­ten­ties. Zo is de redactie vrij om een kritisch oordeel te geven over onder meer nieuw geïntroduceerde geneesmiddelen, bijwer­kin­gen en pro­mo­tionele activi­teiten. Aan de andere kant geldt dezelfde onafhan­ke­lijk­heid ten aanzien van de (semi-)over­heid, zoals het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG, de registratieautoriteit), de Inspectie voor de Gezond­heidszorg (IGZ), de Directie Geneesmidde­len­voorziening van het ministerie van VWS en het CVZ, alsmede ten aanzien van de beroeps­groepen en de patiëntenverenigingen. Der­ge­lijke instanties hebben geen enkele zeggenschap over de inhoud van het Geneesmiddelenbulletin.

Inkomstenbronnen. De subsidie die het ministerie van VWS verstrekt, is momenteel de belangrijkste bron van inkomsten voor het Geneesmiddelenbulletin. Daardoor kan het bulletin worden verspreid onder alle artsen, apothekers en tand­art­sen die lid zijn van hun beroepsorganisatie. Om portokosten te besparen wordt het Geneesmiddelenbulletin bijgesloten bij het Medisch Contact, het Pharma­ceutisch Weekblad en het Nederlands Tandartsen­blad. Degenen die geen lid zijn van hun beroepsorganisatie kunnen een abonnement nemen. Zij vormen verreweg het grootste gedeelte van de ruim 400 betalende abonnees die een aanvullende maar beperkte inkomstenbron opleveren. Daarnaast wordt het Geneesmiddelenbulletin gratis verspreid onder studenten geneeskunde en farmacie die in een gevorderd stadium van hun studie zijn. De totale oplage van het bulletin is ruim 58.000 exemplaren.

ISDB. Het Geneesmiddelenbulletin participeert actief in de Internatio­nal Society of Drug Bulletins (ISDB), waaronder enkele belangrijke zijn opgenomen in de figuur in de rechterkolom.3 Deze organisa­tie verenigt meer dan 60 onafhan­ke­lij­ke genees­­midde­lenbulle­tins over de gehele wereld. Vanuit de ISDB wordt bijvoorbeeld overleg gevoerd met de Europese registratieauto­­ri­­teit over meer transparantie en openbaarheid rondom de regi­stra­­tieprocedure voor geneesmiddelen.4 Ook worden Europarlementariërs benaderd en van informatie voorzien over zaken zoals ‘direct-to-consumer-advertising’ (DTCA). Verder worden er binnen de ISDB artikelen uitgewisseld, redactionele werkwijzen besproken en geza­men­lijke belangen behartigd.

Consumentenbond. Met de Consumentenbond wordt over­leg gevoerd over welke artikelen uit het Geneesmiddelenbulletin mogelijk interessant zijn voor een korte samenvatting in de Gezondgids.

Figuur. International Society of Drug Bulletins (ISDB) en enkele belangrijke zusterbladen.

Inhoud

Hoofdartikel. Van oudsher vormen de hoofdartikelen, thans het ‘blauwe’ gedeel­te, de basis van het Geneesmiddelenbulletin. Meestal wordt in een hoofdartikel de medica­­menteuze behandeling van een bepaald ziektebeeld, bijvoor­beeld hart­fa­len of vaginale infecties, beschreven. Ook kan de vorming van een nieuwe genees­mid­de­len­groep, op het moment dat een tweede vertegen­woordiger daar­van op de markt komt, de aanleiding vormen voor een overzichtsarti­kel. Een derde categorie hoofdartikelen betreft de specifieke problemen die zich bij het voorschrijven van genees­midde­len kunnen voordoen, zoals re­sistentieontwikkeling, bijwerkin­gen en inter­acties. De diversiteit van de doelgroep en het streven van het Geneesmiddelenbulletin om de ontwikkelin­gen op het gebied van geneesmiddelen in de ruimste zin van het woord te volgen, kunnen leiden tot een grote variëteit aan onder­werpen. Zo kunnen ook geneesmiddelen aan de orde komen die een specialistische toepas­sing kennen. Voorts is er ruimte voor opiniërende artikelen.

Prikbord. Met het in 1992 geïntroduceerde Prikbord, het ‘geelgroene’ gedeelte, wordt een zo actueel mogelijke informatievoorziening nage­streefd. In de rubriek ‘Nieuwe Geneesmiddelen’ worden in principe alle recent geïntroduceerde geneesmiddelen met een nieuw werkzaam bestanddeel besproken. Een uitzondering vormen middelen met een uitermate spe­ci­alisti­sche toepassing bestemd voor een zeer kleine groep patiënten. Een nieuw geneesmiddel wordt zo snel mogelijk besproken nadat het op de markt is verschenen, voor vergoeding in aanmerking komt en kan worden voorge­schreven. Gestreefd wordt naar een zo duide­lijk mo­ge­lijke plaats­bepaling van het nieuwe middel ten opzichte van het be­staande farmacotherapeuti­sche arsenaal. Daarbij staat een verge­lijking van de verhouding tussen werkzaamheid en bijwerkingen met die van de stan­daard­therapie centraal. Een belangrijke bron die hierbij wordt gebruikt is het farmacotherapeutische rapport van de Commissie Farmaceutische Hulp (CFH) van het CVZ. Uiteraard kan de beoordeling slechts voor­lo­pig zijn, omdat goed opgezette, vergelijkende gepubliceerde onder­zoe­ken vaak (nog) niet beschikbaar zijn. Bovendien kunnen bij het gebruik van een geneesmiddel op ruimere schaal altijd bijwerkingen, contra-indi­ca­ties en interacties naar voren komen die in het klinische onderzoek, dat immers een beperkt aantal (geselecteerde) patiënten betreft, niet aan het licht zijn gekomen. Recente voorbeelden hiervan vormen de van de markt gehaalde middelen rofecoxib en valdecoxib.

Het Prikbord bevat daarnaast een aantal andere rubrieken. ‘Variaties’ besteedt aandacht aan interes­sante nieuwe indicaties of toe­die­ningsvormen van bestaande geneesmiddelen. Onder de kop ‘Let op!’ komen nieuwe bevindingen omtrent bijwerkingen, contra-indicaties en inter­acties aan de orde. Verder is er in het Prikbord ruimte voor referaten en bespre­kingen van proef­schriften, boeken en rapporten. Ook ontwikke­lingen in het FTO en nieuws over geneesmiddelen­regi­stra­ties, de genees­mid­de­lenkosten en promotionele activi­tei­ten van de farmaceutische industrie komen regelma­tig voor het voetlicht. Recent is er de rubriek ‘Website van de maand’ aan toegevoegd.

Redactioneel proces

De voorbereiding. De redactiecommissie formuleert in samenspraak met de wetenschappelijke adviesraad het redactionele beleid en stelt vast welke onder­wer­pen wanneer aan de orde moeten komen. De hoofdartikelen worden voor het merendeel geschre­ven door externe auteurs die worden aan­ge­zocht door de redactie­commis­sie. Vanuit het oogpunt van onafhan­ke­lijk­heid wordt getracht de keuze te laten vallen op deskundigen die geen binding hebben met een bepaalde geneesmid­delen­fabrikant. Een beoogd auteur kan een overzicht aangeleverd krijgen van de geran­do­mi­seerde dubbelblinde onderzoeken die over het desbetreffende onderwerp zijn gepubliceerd. Daartoe verricht het redac­tie­bureau een systematische zoekactie in de elektronische zoekmachines PubMed, Embase en die van de Cochrane-bibliotheek. Voorts wordt onder meer informatie verkregen uit zusterbladen van de ISDB, overzichtsartikelen en leer­boeken.

Diverse stadia hoofdartikel. Een eerste concept van de auteur(s) wordt door het redactiebureau op inhoud en huisstijl aangepast. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat de opbouw zo nodig wordt aangepast en dat sommige tekstge­deelten worden ingekort (bv. pathofysiolo­gie) of toege­voegd (bv. werkzaamheid of interacties). Ook let het redactiebureau op een uniform ge­bruik van medische terminologie en een vermelding van de litera­tuur­referen­ties volgens de ‘Vancouver’-regels.

De zo herziene eerste conceptversie van het artikel wordt ver­volgens ter beoordeling voorgelegd aan de leden van de redactie­com­mis­sie en de advies­raad, en aan minstens vijf deskundi­gen op het desbetreffende terrein, de zogenaamde externe referen­ten. Ook wordt com­mentaar gevraagd aan een aantal vaste referenten, afkomstig uit organisaties zoals de redactie van het Farmaco­the­rapeutisch Kompas, het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), het Weten­schappelijk Instituut Nederlandse Apothekers (WINAp) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en aan verte­gen­woordigers van andere weten­schappelijke vereni­gingen van spe­cialis­ten en tandartsen. Aldus wordt elk artikel door in totaal gemiddeld dertig tot veertig deskundigen becommentarieerd. Daarnaast krijgen ook de fabrikanten van wie een geneesmiddel in de tekst wordt genoemd, de gelegenheid het artikel van commentaar te voorzien, met uitzondering van het Jaaroverzicht en de Terugblik in het januarinummer, opiniërende artikelen en redactionele commentaren. Om een zo objectief mogelijk oordeel van de deskundigen te krijgen, wordt de naam van de auteur nooit bij het conceptartikel vermeld.

Belangenverstrengelingsverklaring voor auteurs en referenten

Het redactiebureau inventariseert en weegt de binnengekomen com­men­ta­ren en verricht nader literatuuronderzoek. Vervolgens wordt een voor­stel aan de redactiecommis­sie gedaan voor de verwerking van de op- en aan­mer­kingen. Die beslist in haar maandelijkse vergaderingen welke sug­gesties zullen worden voorge­legd aan de auteur. De samen­ge­vatte en ge­blindeerde commentaren en tekstvoorstellen worden vervol­gens, meest­­al persoonlijk, met de auteur bespro­ken.

De hieruit resulterende tweede conceptversie van het hoofd­artikel wordt, tezamen met een verantwoording van de verwerking van het commentaar, nogmaals aan alle eerdergenoemde referenten en de far­ma­ceutische industrie voorgelegd. Zij hebben dan opnieuw de gele­gen­heid om desge­wenst wijzigingen voor te stellen. Deze worden, na beoor­de­­ling door het redac­tiebureau, wederom aan de auteur voorgelegd, ter­wijl tegelijker­tijd de laatste tekstuele correcties worden doorge­voerd. Pas dan, gemid­deld vier tot zes maanden nadat het eerste concept is inge­le­verd, is het artikel rijp voor publicatie. Soms is zelfs meer tijd nodig. Dit is inherent aan het bewerkelij­ke proces, waarbij de argu­men­ten van zoveel mogelijk deskundigen meetellen en steeds hoor en wederhoor worden toegepast. De hoofdartikelen zijn dan ook bedoeld om gedurende een aantal jaren als baken te dienen.

Prikbord. Anders dan bij de totstandkoming van het hoofdartikel, wordt voor het Prikbord gebruik gemaakt van een aantal vaste auteurs, terwijl ook het redactiebureau zelf diverse bij­dra­gen verzorgt. Er wordt met name samengewerkt met de redactie van het Farmacotherapeutisch Kompas, het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb, het CBG en het WINAp. Een ander verschil is dat de teksten over nieuwe geneesmidde­len, variaties, bijwerkingen en registratienieuws slechts éénmaal aan alle referen­ten en de betrokken fabrikanten worden voor­ge­legd. Mede daardoor is de productietijd korter, zodat de publicaties in Prikbord recentere informatie kun­nen bevatten. Ook bij de prikbordteksten wordt de naam van de auteur in eerste instantie niet vermeld.

Literatuurbronnen. Wat het gebruik van literatuur betreft, verwijst het Geneesmiddelenbulletin naar NHG-Standaarden en consensusteksten indien deze voor het des­betreffende onder­werp beschikbaar zijn. Een consensus is echter niet altijd onafhan­kelijk van de farmaceutische industrie tot stand gekomen en een NHG-Standaard kan een enkele maal aan herziening toe zijn. Daarom tracht het Geneesmiddelenbulletin tot een zelfstandig oordeel te komen. Dat gebeurt wat betreft de werkzaamheid zoveel mogelijk op basis van adequaat opgezette, uitge­voerde en gerapporteerde gerandomiseerde dubbelblinde onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn gepubliceerd in tijd­schriften met een systeem van onafhankelijke referen­ten (‘peer reviewed’). Het Geneesmiddelenbulletin onderschrijft de ‘Consolidation of the standards of reporting trials’ (CONSORT)-richtlijnen voor de rapportage van gerandomiseerd klinisch onderzoek en daarmee van de werkzaamheid van geneesmiddelen (Gebu 2009; 43: 111-113) en toetst artikelen hier ook aan.5-7 Voor de rapportage van observationeel onderzoek en daarmee vooral onderzoek naar de bijwerkingen van geneesmiddelen (cohortonderzoek, patiëntcontrole-onderzoek en dwarsdoorsnede-onderzoek) onderschrijft het Geneesmiddelenbulletin ‘The strengthening the reporting of observational studies in epidemiology’ (STROBE)-richtlijnen.8-10 Het Geneesmiddelenbulletin maakt geen gebruik van onder­zoeksre­sulta­ten die alleen be­schik­­baar zijn in de vorm van ‘abstracts’, posters, lezingen op congres­sen, ‘data on file’ en ‘expert reports’. Dergelijk materiaal is name­­lijk doorgaans niet gecontroleerd door onafhan­kelijke referenten. Meer dan eens blijken abstracts die later als artikel worden ingestuurd, de toetsing door een tijdschriftredactie niet te kunnen doorstaan of net iets andere gegevens te bevatten. Boven­dien is in veel gevallen de informatie uit de genoemde bronnen te sum­mier om de resulta­ten goed te kunnen interprete­ren. Een zeer zeldzame door­braak daargelaten, valt bovendien niet goed in te zien waarom een arts een middel zou willen voor­schrijven waarvan in de literatuur geen betrouwbare docu­men­tatie is te vinden. Alleen als geen enkele betrouwba­re gepubli­ceerde informatie voorhan­den is en toch een plaatsbe­pa­ling moet wor­den gegeven, wijkt het Geneesmiddelenbulletin uit naar de minder contro­leerbare gege­vens. Dit wordt dan altijd expliciet in het artikel vermeld.

Ingezonden brieven naar aanleiding van gepubliceerde artikelen wor­den persoonlijk beantwoord, maar niet geplaatst. Gezien het brede scala aan voor de publicatie geraadpleegde deskundigen, bevatten deze reac­ties meestal aspecten die reeds in de loop van het ontstaan- en her­zie­ningsproces zijn gewogen en zonodig zijn verwerkt in de uiteindelijke tekst. Kleine verschillen in de interpretatie van onderzoeksresul­taten kun­nen echter al­tijd blijven bestaan. Uiteraard worden, indien nodig, fouten gecor­ri­geerd of wordt een aanvulling geplaatst. Soms vormen brieven een aanlei­ding voor een vervolg­arti­kel.

Procedure rectificaties. Het Geneesmiddelenbulletin is zelfstandig en onafhankelijk van derden, zoals de farmaceutische industrie, de overheid, beroepsorganisaties en patiëntenverenigingen. Artikelen komen tot stand na een uitgebreide consultatie van diverse deskundigen. Conclusies worden zoveel mogelijk gebaseerd op gepubliceerde, en dus controleerbare, resultaten van gerandomiseerde en bij voorkeur dubbelblinde onderzoeken met een adequate controlegroep. Mocht men ondanks de zorgvuldige werkwijze van mening zijn dat er een fout in een artikel is geslopen, dan kan men de fout schriftelijk of per e-mail aan het redactiebureau kenbaar maken. Het redactiebureau zal in overleg met de oorspronkelijke auteur(s) en deskundigen de opmerking beoordelen en, indien nodig, een rectificatie opstellen. Deze rectificatie wordt in een kader in een volgende uitgave van het Geneesmiddelenbulletin afgedrukt. De fout wordt in de webversie van het Geneesmiddelenbulletin direct gecorrigeerd.

De plaats van nieuwe geneesmiddelen binnen het bestaande arsenaal wordt bepaald door de verhouding tussen werkzaamheid en bijwerkingen ten opzichte van de standaardtherapie. Meningsverschillen over de plaatsbepaling zijn mogelijk. Schriftelijk commentaar zal door de redactiecommissie worden beantwoord. Zoals aangegeven publiceert het Geneesmiddelenbulletin geen ingezonden brieven. Veel artikelen worden bovendien voor publicatie aan de belanghebbende farmaceutische industrie vooraf ter inzage aangeboden, zodat discussie over de plaatsbepaling al in een eerder stadium is gevoerd. Desondanks kan het soms voorkomen dat artikelen na het raadplegen van deskundigen en de industrie drastisch worden gewijzigd. Hoe dan ook zijn deze belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun mening en hun commentaar op de concepttekst te geven en suggesties voor aanpassing te geven.

Gepubliceerde artikelen op de website van het Geneesmiddelenbulletin worden niet gewijzigd indien nieuwe informatie beschikbaar komt, bijvoorbeeld de uitkomsten van latere onderzoeken. Indien dergelijke onderzoeken de plaatsbepaling van een geneesmiddel veranderen, kan de redactiecommissie te zijner tijd opnieuw aandacht hieraan schenken. Dit zal meestal plaatsvinden in de vorm van een prikbordartikel onder de titel ‘Opnieuw bezien’.

Toekomstige ontwikkelingen

Dit jaar valt de opening van de eigen vernieuwde website op Artsennet te verwachten. Naast de volledige maandelijkse uitgave in elektronische vorm, zal het de vol­ledige teksten van de artikelen die in de afgelopen jaren zijn gepubliceerd, bevatten. Het zoeken van artikelen is vereenvoudigd doordat gebruik zal worden gemaakt van Google. Verder is het de bedoeling dat op de website ook Engelstalige samenvattingen van artikelen te vinden zullen zijn.

Plaatsbepaling

De Stichting Geneesmiddelenbulletin is zelfstandig en onafhankelijk van derden, zoals de farma­ceu­tische industrie, de overheid, beroepsorganisaties en patiëntenverenigingen. Artikelen komen tot stand na een uitgebrei­de consultatie van diver­se deskun­digen. Conclusies worden geba­seerd op gepubliceerde, en dus controleerbare, resultaten van geran­do­mi­seerde en bij voorkeur dubbelblinde onderzoeken met een ade­quate controlegroep. Alleen bij hoge uitzondering wordt hiervan afgeweken. Bij de bespreking van nieuwe ge­nees­­­middelen is de essentie het bepalen van de plaats binnen het bestaande arsenaal door steeds de verhouding te beoordelen tussen werkzaamheid en bijwerkingen ten opzichte van die van de standaardtherapie.

Trefwoorden: werkwijze Geneesmiddelenbulletin, hoofdartikelen, prik­bord, redactioneel proces, procedure rectificaties

Literatuurreferenties

  1. Jong-van den Berg LTW de, Buurma H. Communicatie. In: Buurma H, Beudeker HJ, Jong-van den Berg LTW de, Leufkens HGM (red.). Het geneesmiddel. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2005: 188-211.
  2. How Drug and Therapeutics Bulletin produces articles. DTB 1997; 35: 73-74.
  3. Hoen E ’t. ISDB: dedicated to ensuring reliable drug information. WHO Essential Drugs Monitor 1997; 24: 11.
  4. Abbasi K, Herxheimer A. The European Medicines Evaluation Agency: open to criticism, transparency must be coupled with greater rigour. BMJ 1998; 317: 898-900.
  5. Verslaglegging van gerandomiseerd medisch-wetenschappelijk onderzoek volgens een standaardmethode; de ‘Consolidation of the standards of reporting trials’ (CONSORT) [redactionele kanttekeningen]. Ned Tijdschr Geneeskd 1998; 142: 1089-1091.
  6. Begg C, Cho M, Eastwood S, Horton R, Moher D, Olkin I, et al. Improving the quality of reporting of randomized controlled trials. The CONSORT statement. JAMA 1996; 276: 637-639.
  7. CONSORT Group. The CONSORT statement (2001). [document op het internet, geraadpleegd 16 november 2009] URL: http://www.consort-statement.org/consort-statement/overview/.
  8. Elm E von, Altman DG, Egger M, Pocock SJ, Gøtzsche PC, Vandenbroucke JP, et al. The strenghtening the reporting of observational studies in epidemiology (STROBE) statement: guidelines for reporting observational studies. Ann Intern Med 2007; 147: 573-577.  Of via URL: http://www.strobe-statement.org/index.php?id=strobe-publications.
  9. Vandenbroucke JP, Elm E von, Altman DG, Gøtzsche PC, Mulrow CD, Pocock SJ, et al. Strenghtening the reporting of observational studies in epidemiology (STROBE): explanation and elaboration. PLoS Med 2007; 4: 1628-1654. Of via URL: http://www.strobe-statement.org/index.php?id=strobe-publications.
  10. Stehouwer CDA. Rapportage van observationeel onderzoek: nuttige en welkome aanbevelingen ter verbetering [commentaar]. Ned Tijdschr Geneeskd 2008; 152: 182-184.